Aspectontwikkeling
26.4
bladzijde 4 van 7
Voorbereiding voor objectivering
Hoewel het Ik zich nu (net als bij de uitgaande conjunctie) nog niet bewust is van die beginnende reflectie, staat het hier toch aan het begin van de ontdekking, dat zijn waarneming van de omgeving en van zichzelf, bepaald wordt door zijn eigen instelling: Hij merkt dat hij alles kan bezien door zijn eigen bril. Dit besef vormt de kiem voor de latere objectivering. In het omslagpunt van de oppositie wordt dus de objectivering voorbereid. (25.7)
De ingaande boog
In de ingaande oppositie duren vooralsnog de twijfels en spanningen voort. Echter, hier heeft de aarzelende houding plaats gemaakt voor overmoed, als overcompensatie voor de innerlijke twijfel. Het moment van aangrijpen is omgeslagen van vertraagd en omgevingsafhankelijk naar overmatig, snel en egocentrisch.
In dit ingaande aspect wordt de weerstand onderschat, waardoor het resultaat dus ook gering is, tenzij ook hierop een derde overbruggende planeet aangrijpt.
Wanneer de aspecten van deze overbrugging in dezelfde richting afvloeien (beide ingaand of beide uitgaand), kan hieruit een eenduidig resultaat worden verkregen. Wanneer beide aspecten niet in dezelfde richting werken is de situatie minder gunstig. Zo'n overbrugging breekt in de persoon de spanning in twee richtingen op, waarmee beide uitingen als onvervuld worden beleefd. Wat hij met de ene hand goed aanpakt, ontkracht hij dit in dezelfde beweging met de andere hand.
Vierkante overbruggingen brengen strijd, die het resultaat kunnen vervormen. Vierkante overbruggingen die dezelfde kant uitwerken kunnen echter uitzonderlijke resultaten opleveren.
In de ingaande driehoek zou de reflectie wel op gang kunnen komen, maar de omstandigheden geven nog geen aanleiding om het eigen Ik-beeld nader onder de loep te nemen: Immers, zonder dat men er veel moeite voor hoeft te doen, wordt men met dit aspect herkend zoals men ook gezien wil worden, en treft men, zonder eigen inzet, steeds passende omstandigheden aan. Men kan dus, zonder zelf moeite te hoeven doen, profiteren van de gunstige situatie.
Deze meevallers geven dan ook geen aanleiding om een en ander nog eens te nader te bezien. Men identificeert zich gemakshalve met het vanzelfsprekende succes. Voor wereldse zaken is dit aspect zeer gunstig, terwijl het Ik nauwelijks aan introspectie toekomt. Men heeft simpelweg succes en de noodzaak om zich daar niet mee te identificeren dient zich, in dit aspect nog niet aan.
Dit wordt anders bij het ingaand vierkant, waar een herijking van het Ik onontkoombaar wordt. Want sinds de passage van het omkeerpunt, meent het Ik dat het zelf de hoofdrolspeler is in het spel, terwijl het in werkelijkheid alleen daarvan de representant is: Het Ik ontleent weliswaar zijn identiteit aan deze onbekende, diepere factor, maar hij is dat niet en de voorstelling die hij ervan kan geven heeft maar een beperkte geldigheidsduur.
In het ingaand vierkant begint deze geldigheid merkbaar af te lopen. In het beeld dat op de omtrek wordt uitgezet is minder authenticiteit te vinden en schemert de sturing van het Ik hinderlijk door de voorstelling heen: de omgeving ervaart de uitingen als niet authentiek, niet passend en daarmee als belastend. Vanuit het oude Ik-beeld besteedt de persoon echter zeer veel energie om het gewenste resultaat te bereiken. Wanneer dit niet lukt kan dit als ontgoocheling worden ervaren. Herhaling van de ervaring brengt de reflectie actief op gang.
literatuurlijst, onderwerpen per pagina, woordenlijst, afbeeldingen,